De Nora-problematiek

“De moderne literatuur schetst een duister beeld: Madame Bovary slikt arsenicum, Effi Briest sterft van verdriet en Anna Karenina gooit zich voor de trein. De aan huis gekluisterde moeders wilden zich redden uit een bestaan waarin ze zich levend begraven voelden. Ze hadden minnaars en ze hadden kinderen van wie ze het welzijn op het spel zetten om hun eigen geluk te vinden. En dat egocentrisme moesten deze grote vrouwen uit de literatuur van de negentiende eeuw met de dood bekopen.
Natuurlijk zijn de tijden van Flaubert, Fontane en Tolstoj veranderd. Het patriarchaat is verleden tijd. Voor de wet zijn man en vrouw gelijk. En toch: ook nu nog zijn moeders veel sterker aan huis en haard gebonden dan vaders. En accepteren we nog steeds veel minder van vrouwen dat ze die band verbreken dan van mannen. Een man die zich niet met het huishouden bemoeit, andere vrouwen meer begeert dan zijn eigen vrouw, geen intensieve relatie heeft met zijn kinderen en op een gegeven moment besluit het gezin te verlaten is een egoïst. Een vrouw die op vergelijkbare wijze handelt is ziek. Haar seksuele verlangen naar andere mannen (voorbeeldig getoond in Lars von Triers film Nymphomaniac), en vooral de relativering van haar moederlijke ‘plichten’ zijn in het denkpatroon van onze cultuur verankerd als pathologisch van aard. ‘Je bent waanzinnig’, zegt Henrik Ibsens Helmer tegen Nora als zij aankondigt hem, de kinderen en het gehate ‘poppenhuis’ te willen verlaten.
Tegenwoordig zouden we dat een gebrek aan vrouwelijke hormonen noemen. Want de moeder heeft het kind toch in zich gedragen, heeft het gevoeld, is één geweest met de vrucht in haar lijf. Dan is ze toch van nature sterker op anderen georiënteerd, meelevend, altruïstischer?”

– Uit: Vergeven : Omgaan met onrecht, het boek waarin Svenja Flaβpöhler haar met de noorderzon vertrokken moeder probeert te begrijpen.

Advertenties

Juliana, een boekbespreking

Als ik, later als ik groot ben, niet Alberto Manguel kan worden, dan wil ik Jolande Withuis worden – zo schreef ik op Goodreads. Ik heb haar biografie over Pim Boellaard, haar onderzoek naar de afhandeling van oorlogstrauma’s in Europa na de Tweede Wereldoorlog en haar essays over vrouwen in de literatuur gelezen. Ik vind haar analyses diepgaand en haar woorden zo eloquent. Ik zou willen dat ik zo eloquent was (en dat ik niet drie zinnen achter elkaar met ‘ik’ zou laten beginnen). Jolande Withuis is één van mijn favoriete schrijvers. Vanzelfsprekend wilde ik haar biografie van de Nederlandse koningin Juliana lezen. Dat heb ik eind 2017 gedaan en hierbij mijn boekbespreking.

Of eigenlijk kan ik over de bespreking van het boek best kort zijn. Deze bespreking gaat meer over de biografe en over een ontdekking die ik deed tijdens het lezen van dit boek. Hoewel dit de zoveelste biografie is op mijn leestlijstje en ik hier al eens verteld heb waarom ik levensverhalen zo graag lees, ontdekte ik nu pas een fundamentele waarheid over biografieën. Maar nu eerst het boek zelf.

Mijn review van het boek lees je op Goodreads hier. Juliana was geen competente koningin. Bernhard maakte het haar nog vele malen moeilijker. Withuis schrijft zo gedegen als ze altijd doet en heeft fantastisch onderzoek gedaan in met name correspondentie van Juliana. Omdat ze geen toegang kreeg tot het particuliere Koninklijk Huisarchief, was ze enigszins beperkt in haar onderzoeksmogelijkheden. Dit heeft ze heel knap opgevangen. Misschien had Withuis angst dat ze een tekort aan informatie had en herhaalt ze om die reden regelmatig wat ze al eerder heeft geschreven in het boek. Ik begrijp haar samenvattingen na hoofdstukken niet zo. Er staat niets in dat je niet vlak daarvoor al hebt gelezen.

Inderdaad heb ik door de biografie het gevoel dat Withuis informatie tekort is gekomen over Juliana’s optreden als staatshoofd. Withuis put uit de dagboeken van ministers en kan effecten van Juliana’s beslissingen lang niet altijd zien, omdat ze de documentatie voorafgaand aan de beslissingen door Juliana niet heeft kunnen inzien. De ministers spreken ook in hun persoonlijke zielenroerselen echter niet van grote beïnvloeding door Juliana. Wel van gestuntel. Dat gestuntel van de Koningin kunnen de bewindslieden ook nergens anders delen dan in hun dagboeken, dus het is begrijpelijk het daar tegen te komen wanneer de Koningin stuntelt – en dat deed ze opvallend vaak.

Een uiterst belangrijke component in Juliana’s leven is haar vrijzinnig christelijk geloof. Vatbaat voor occultisme en bakerpraatjes. Juliana wantrouwde de wetenschap. Dit zo grote aspect van Juliana’s leven is in een biografie niet te vermijden, maar in de behandeling daarvan leek het mij dat Withuis hinder had van haar eigen achtergrond. Jolande Withuis is een kind van communistische ouders. Ze weet uit eigen ervaring bijzonder veel van het CPN-milieu en, voor mij een groot pluspunt in de biografie, verweeft de standpunten van de communistische subcultuur goed in het boek. Ik kom weinig tegen dat de reacties van de CPN, die zo weinig serieus werd genomen tijdens de Koude Oorlog, worden meegenomen in een geschiedenis waar ze weinig in hebben kunnen ingrijpen.

Withuis heeft geen begrip van het christendom en begrijpt Juliana’s hunkering naar God en een door God geschonken bestemming niet. Bij de slotconclusies in het boek merkt Withuis nogmaals op hoe gevaarlijk Juliana’s vatbaarheid voor esoterie en complottheorietjes was, hoe onbegrijpelijk dat Juliana daar geen weerwoord op kreeg. Een mij logische redenatie van Withuis. Maar ze vervolgt met eenzelfde verbazing over Juliana’s religiositeit als geheel. En daar constateerde ik dat een andere biograaf dit beter had kunnen begrijpen. Dit zit nu eenmaal niet in Withuis’ vezels.

Een biografie is zo sterk als zijn biograaf. Natuurlijk al omdat die biograaf goed onderzoek moet doen en de kunst moet verstaan geschiedenis en persoonlijke beweegredenen te analyseren. Maar achtergrond, merkte ik ditmaal, speelt merkwaardig sterk mee. Withuis is één van de meest capabele biografen in het Nederlands taalgebied, maar wanneer de achtergrond van de biograaf zo verschillend is van die van de hoofdpersoon, dan blijft een deel van het karakter van de hoofdpersoon in de schaduw.

Goed onderzoek kan niet vervangen wat de biograaf als eigen achtergrond meeneemt. Begrip komt niet volledig voort uit analyse, maar ook uit gedeelde levenservaring. Biografieën zijn kwetsbaar werk.

One, two, three

“No one could tell me where my soul might be

I sought for God, but God eluded me

I sought my brother out and found all three:

My soul, my God and all humanity”

– Gedicht van een gevangene in een jappenkamp, geciteerd door Vivian Boland OP in It takes Three to Make a Love Story